Oefening 1

0%

(branden) De cake, die in de oven ligt, .......... aan.

Correct! Fout!

(vinden) .......... je tante jouw tas ook zo mooi?

Correct! Fout!

(vinden) Als hij het nu maar leuk .......

Correct! Fout!

(geloven) Hij heeft haar ........

Correct! Fout!

(besteden) Hoeveel tijd ......... jij vorige week aan je huiswerk?

Correct! Fout!

(verbazen) Iedereen was ........., omdat ik een tien had gehaald.

Correct! Fout!

(vermoeden) Sinds wanneer ........... jij al dat hij op een ander was?

Correct! Fout!

(haten) Gisteren .......... Pieter en Sandra elkaar nog enorm.

Correct! Fout!

(verstoten) De .......... kinderen hebben ergens anders onderdak gevonden.

Correct! Fout!

(geloven) Hij ......... haar nooit meer na de vorige keer.

Correct! Fout!